Bossen

De Ardennen, en zeker ook de omgeving van Wanne, zijn rijk aan bos. Er zijn twee soorten bossen te onderscheiden: naaldbossen (verreweg het grootste oppervlakte) en loofbossen.

Naaldbossen

De naaldbossen, vooral bestaande uit fijnsparren, vormen een zeer belangrijk onderdeel van het Ardense landschap. Bij elk weertype zien ze er weer anders uit. In de winter, als het gesneeuwd heeft, krijg je onwillekeurig een Alpengevoel bij het zien van de witte, zwaar beladen takken. Bij vochtig weer ontstaat er een geheimzinnige sfeer door de donkere stammen waar mistflarden doorheen spoken. Als het mooi weer is kun je juist genieten van de mostapijten met allerlei vreemdsoortige paddestoelen, zoals de koraalzwam.
Denk echter niet dat deze bossen zijn aangelegd om ons toeristen te plezieren. Het gaat de bosbouwers natuurlijk om het hout en niets anders. Romantische tafereeltjes zijn slechts een ‘aardig’ bijproduct. Het grote voordeel van de bosbouw is, dat er boswegen nodig zijn zodat er ook in de buurt van Wanne een uitgebreid wandelpadennetwerk is ontstaan.
De fijnsparbossen hebben ook enkele vogelsoorten meegebracht die hier anders nooit geweest waren: de zeldzame ruigpootuil en de notenkraker.

Loofbossen

Loofbossen zijn er gelukkig ook in de omgeving van Wanne; alleen naaldbos zou op den duur toch een wat eenzijdige flora en fauna opleveren. Een heel mooi loofbos is bijvoorbeeld het hellingbos van de Salm ten noorden van Spineu (3 km). Het is een eikenbos, om preciezer te zijn een eikenhakhout. Eikenhakhout is bos dat elke paar jaar gekapt wordt, waarna uit de overgebleven stammen weer nieuwe boompjes groeien. De gekapte stammen werden, in vroegere tijden, vervolgens naar Stavelot vervoerd. Daar werd het looizuur uit de bast gedestilleerd, dat van essentieel belang was voor de daar aanwezige leerindustrie.